Genesis
Genesis


De schepping (1,1-2,7)
Het paradijs (2,8-25)
De eerste zonde (3,1-24)
Kaďn en Abel (4,1-26)
De oudvaders (5,1-32)
Het huwelijk der zonen Gods (6,1-4)
De zondvloed (6,5-9,7)
Gods verbond met Noach (9,8-17)
Noach en zijn zonen (9,18-29)
De volkenlijst (10,1-32)
De torenbouw van Babel (11,1-9)
De nakomelingen van Sem (11,10-32)
De roeping van Abram (12,1-9)
Abram in Egypte (12,10-20)
Abram en Lot scheiden van elkander (13,1-18)
Abrams overwinning op de koningen van het Oosten (14,1-17)
Abrams ontmoeting met Melchisedek (14,18-24)
Belofte en teken (15,1-21)
Hagars vlucht voor Sarai (16,1-16)
Gods verbond met Abram (17,1-27)
God belooft Abraham opnieuw een zoon (18,1-15)
Abrahams voorbede voor Sodom (18,16-33)
De verwoesting van Sodom (19,1-29)
Lot en zijn dochters (19,30-38)
Abraham en Abimelek van Gerar (20,1-18)
Geboorte van Isaak (21,1-7)
Abraham verdrijft Hagar en IsmaŽl (21,8-21)
Abraham en Abimelek (21,22-34)
Abrahams geloof op de proef gesteld (22,1-19)
De zonen van Milka (22,20-24)
Saraís dood en begrafenis (23,1-20)
Isaaks huwelijk met Rebekka (24,1-67)
Abrahams dood (25,1-11)
De zonen van IsmaŽl (25,12-18)
Esau en Jakob (25,19-34)
Isaak bij de Filistijnen (26,1-35)
Jakob ontsteelt Esau de vaderlijke zegen (27,1-40)
Jakob vlucht naar MesopotamiŽ (27,41-28,9)
Jakobs droom te Betel (28,10-22)
Jakob bij Laban (29,1-30)
De kinderen van Jakob (29,31-30,24)
Jakob verwerft zijn kudde (30,25-43)
Jakob vlucht van Laban weg (31,1-21)
Verbond tussen Jakob en Laban (31,22-55)
Jakob vreest Esau te ontmoeten (32,1-21)
Jakobs worsteling (32,22-32)
Jakob met Esau verzoend (33,1-20)
Dina en de Sichemieten (34,1-31)
Jakob andermaal te Betel (35,1-15)
Dood van Rachel en van Isaak (35,16-29)
Esaus nakomelingen (36,1-43)
Jozef naar Egypte verkocht (37,1-36)
Juda en Tamar (38,1-30)
Jozef in Potifars huis (39,1-23)
De dromen van schenker en bakker (40,1-23)
De dromen van Farao Ė Jozef verhoogd (41,1-45)
Jozef als onderkoning in Egypte (41,46-57)
Eerste reis van Jozefs broeders naar Egypte (42,1-38)
Tweede reis van Jozefs broeders naar Egypte (43,1-44,34)
Jozef maakt zich aan zijn broeders bekend (45,1-28)
Jakob trekt naar Egypte (46,1-47,12)
Jozefs maatregelen (47,13-26)
Jakobs laatste levensjaren (47,27-31)
Jakob zegent de zonen van Jozef (48,1-22)
Jakobs laatste woorden tot zijn zonen (49,1-28)
Jakobs dood en begrafenis (49,29-50,14)
Jozef troost zijn broeders (50,15-21)
Jozefs dood (50,22-26)

Genesis:   1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33 34  35  36  37  38  39  40  41  42  43  44  45  46  47  48  49  50